Van 0 tot 6 jaar
Van 0 tot 6 jaar

0 tot 6 jaar

Dokterstaal

A

  • ADERS: Dit zijn dunne bloedvaatjes waar je bloed doorheen stroomt.
  • ALLERGISCH: Dit betekent dat je ergens niet tegen kunt. Je lichaam wilt die stoffen niet binnen krijgen. Je gaat er bijvoorbeeld van niezen of je krijgt jeuk. Je kunt voor allerlei dingen allergisch zijn. Sommige kinderen kunnen niet tegen de haren en huid van een hond of kat. Anderen moeten niezen als ze in het gras spelen of in het bos lopen. Sommige kinderen krijgen jeuk van pindakaas, anderen kunnen niet tegen pleisters.
  • AMANDELEN: Je hebt 3 soorten amandelen. 1 = een nootje dat amandel heet 2 = een keelamandel en 3 = een neusamandel
    Over die laatste 2 praten we hier. Amandelen zijn knobbeltjes in je keel die op een amandelnootje lijken. Amandelen kunnen veel last geven. Ze kunnen bijvoorbeeld ontsteken. Soms is het nodig dat je amandelen eruit moeten. Dit doen ze met een operatie in het ziekenhuis.
  • ANESTHESIE: Anesthesie of narcose is een soort slaap door medicijnen. Hierdoor merk en voel je niets van een operatie of onderzoek.
  • ANESTHESIST: Ook wel slaapdokter genoemd. Deze dokter zorgt dat je onder narcose gebracht wordt. Narcose is een soort slaap waardoor je niets voelt van bijvoorbeeld een operatie. De anesthesist is degene die je in slaap maakt. Hij of zij past heel goed op jou als je slaapt.
  • ARTS: Een ander woord voor arts is dokter. Dit is iemand die gestudeerd heeft om mensen beter te maken. Je hebt verschillende soorten artsen, bijvoorbeeld een kinderarts of chirurg.

  • B2: De kinderafdeling in het MUMC+, hier liggen kinderen opgenomen van 0 tot 18 jaar.
  • BACTERIËN: Bacteriën zijn piepkleine ziektemakers die je met het blote oog niet kunt zien. Je kunt ze alleen zien door een microscoop. Bacteriën zijn overal. Ze leven buiten en binnen je lichaam. In je darmen leven miljoenen bacteriën, in je luchtwegen ook. Bacteriën zijn verdeeld over honderden soorten. Ze doen meestal geen kwaad, maar door sommige bacteriën kun je ziek worden.
  • BLAAS: Een soort ballon, onderin je buik die je plas opvangt en verzamelt. Als je blaas vol is, voel je dat je moet plassen.
  • BLOED: Als je valt zie je soms bloed, dit is rood van kleur en dan krijg je een pleister.
  • BLOEDGROEP: Er zijn meerdere soorten bloed, de zogenaamde bloedgroepen. De bekendste bloedgroepen zijn; O, O+, A+,B+,AB-,AO en AB. Het is belangrijk om te weten welke bloedgroep je hebt, want als je bloed nodig hebt mag je alleen bloed hebben dat goed voor je is.
  • BMI: BMI is het getal dat gebruikt wordt om vast te stellen of je een gezond gewicht hebt. Het is een afkorting in het Engels: Body Mass Index. Het is een sommetje (gewicht : 2x je lengte). Hiermee je kunt berekenen hoeveel je BMI is. 
  • BUISJES: Buisjes krijg je als je veel oorpijn hebt of niet goed hoort. Een buisje is heel klein. Nog kleiner dan je kleinste nagel. Als je een buisje moet krijgen ga je voor 1 dagje naar het ziekenhuis. Je krijgt van de arts, als jij onder narcose bent, een buisje in je oor. Zo blijft je oor open en kun je weer goed horen.                                                         

C

  • CARDIOLOOG: Deze dokter weet alles over je hart.
  • CELLEN: Een lichaam is opgebouwd uit cellen. Dit zijn hele kleine deeltjes waaruit je lichaam bestaat.
  • CHIRURG: Een chirurg is een dokter die mensen opereert. Niet alle dokters doen dat.
  • CHRONISCH: Een chronische ziekte is een ziekte die lang duurt en steeds terugkomt.
  • COCHLEAIR IMPLANTAAT: Een elektronisch hoorapparaat dat het horen van kinderen die niets of bijna niets horen kan verbeteren. Ze noemen het ook wel CI.
  • COELIAKIE: Als je coeliakie (spreek uit: seu-lia-kie) hebt, dan kun je niet tegen gluten. Gluten is een eiwit dat bijvoorbeeld zit in granen: tarwe, rogge en haver, dus ook in producten die van deze granen gemaakt zijn, zoals brood, crackers, pizza, pasta, koekjes, cake, taart enz.
  • CONDITIE: De conditie van je lichaam vertelt je hoe het met je lichaam is gesteld. Je kunt een goede of slechte conditie hebben. Als je een goede conditie hebt, ben je fit en niet snel moe.
  • COUVEUSE: Dat is een warm bedje waar je in ligt als je te vroeg bent geboren.

D

  • DARMEN: Darmen zorgen voor de vertering van dat wat je eet en drinkt. Ze halen de voedingsstoffen eruit en voeren dat wat je niet meer nodig hebt uit je lichaam. Het afval uit je darmen noemen we poep.
  • DERMATOLOOG: Een dermatoloog is een dokter die mensen met huidziekten of huidproblemen behandeld.
  • DIABETES: Eten heb je nodig voor alles wat je met je lichaam doet. In je lichaam wordt eten afgebroken tot hele kleine stukjes, een klein deeltje is suiker, deze suiker moet in je cellen komen, maar om die cellen open te maken, heb je een sleuteltje nodig, dit sleuteltje is insuline, je lichaam maakt dit zelf. Maakt je lichaam geen of te weinig insuline, dan heb je diabetes, ook wel suikerziekte genoemd.
  • DIALYSE: Als je nieren niet meer goed werken wordt er door dialyse voor gezorgd dat afvalstoffen, teveel zout en vocht uit je bloed gehaald worden.
  • DIËTIST: Een diëtist is iemand die aangepaste maaltijden of voedingsvoorschriften samenstelt en dat noemt men ook wel een dieet.
  • DOKTER: Een ander woord voor dokter is arts. Dit is iemand die heeft gestudeerd om mensen beter te maken. In het ziekenhuis zijn er veel verschillende soorten artsen, bijvoorbeeld een kinderarts of kno-arts. Als je naar het ziekenhuis gaat kijkt de dokter wat er met je aan de hand is en wat er aan gedaan kan worden. Soms vraagt hij dan de hulp van een andere arts, die extra heeft gestudeerd voor datgene waar jij last van hebt.

E

  • ECG: Dit is de afkorting van Electro Cardio Gram. Met dit onderzoek wordt je hartslag bekeken.
  • EEG: Dit is de afkorting van Electro Encephalo Gram. Dit is een onderzoek naar de manier waarop je hersenen werken.

F

  • FYSIOTHERAPEUT: Een fysiotherapeut doet onder andere oefeningen met de kinderen om ze beter te leren bewegen. Soms geven ze ook massages zodat je je spieren beter kunt ontspannen.

G

  • GEWRICHTEN: Een gewricht is een plek waar je je lichaam kunt buigen. Knieën, ellebogen, polsen en enkels zijn gewrichten.
  • GIPSKAMER: In de gipskamer kom je wanneer je arm of been in het gips moet worden gezet of wanneer je een corset krijgt.
  • GASTRO-ENTEROLOGIE: Studie van alle organen die bij de vertering van wat je eet en drinkt helpen. Dit zijn bijvoorbeeld de slokdarm, maag, lever, darmen en alvleesklier.

H

  • HART: De motor van je lichaam. Pompt de hele dag, zonder dat je er iets voor hoeft te doen.
  • HERSENEN: Die zitten in je hoofd. Deze "computer" stuurt je lichaam aan. Daardoor kun je bewegen en voelen en denken.

I

  • INFUUS: Een infuus is een dun buisje dat in je bloedvat wordt gebracht en waardoor je vocht of medicijnen krijgt.
  • INFECTIE: Een infectie krijg je wanneer bacteriën of virussen je ziek maken en wordt ook wel ontsteking genoemd.

J

  • JEUK: Een vervelend kriebelig gevoel, dat zorgt dat je gaat krabben.
  • JODIUM: Rood-bruine of roze vloeistof om een wond schoon te maken.

K

  • KOORTS: Je lichaam kan heel erg warm worden als je ziek bent, boven de 38 graden heet dit koorts.

L

  • LOGOPEDIE: Helpt kinderen en ouderen die spraak-,stem-, of slikproblemen hebben. Maar ook mensen met een taal- of gehoorstoornis.

M

  • MAATSCHAPPELIJK WERKER: Een maatschappelijk werker is iemand die met jouw ouders praat wanneer ze zich ergens zorgen over maken of wanneer er dingen geregeld moeten worden. Bijvoorbeeld het vrij krijgen van hun werk, het regelen van reiskostenvergoedingen, het regelen van aanpassingen in jullie huis enzovoort.
  • MEDICIJNEN: Pillen, drankjes, zetpillen of spuiten. Die helpen je om beter te worden of je beter te voelen.
  • MEDIUM CARE: Hier liggen kinderen die extra controles nodig hebben van de dokter en verpleegkundige.
  • MONDMASKER: Wanneer de lucht in een ruimte heel schoon moet blijven, moet men een mondmasker voor, bijvoorbeeld in de operatiekamer.
  • MRI: Met een MRI-scan worden foto's gemaakt van de binnenkant van jouw lichaam. Bij een MRI-scan worden geen röntgenstralen gebruikt, maar een heel sterk magneetveld en radiogolven. Hiermee worden bepaalde signalen in het lichaam opgewekt. Een antenne ontvangt deze signalen en maakt er een plaatje van. Tijdens een MRI moet je net als op een echte foto heel stil liggen. Kleine kinderen worden vaak onder narcose gebracht wanneer ze een MRI krijgen.
  • MONITOR: Een monitor is een klein computertje. Je krijgt plakkers op je  borst met draadjes eraan. Deze sluiten ze aan op een kabel die vastzit aan de monitor. Op de monitor kan de arts of verpleegkundige zien of alles goed met je gaat, zoals je hartslag, bloeddruk, of de hoeveelheid zuurstof in je bloed.
  • MONDHYGIËNISTE: Een mondhygiëniste leert jou hoe je jouw mond het beste kunt verzorgen.

N

  • NARCOSE: Narcose of anesthesie is een soort slaap door medicijnen die je van de slaapdokter krijgt. Hierdoor merk of voel je niets van een operatie of onderzoek.
  • NEFROLOGIE: Een nefroloog is een dokter die zich bezig houdt met alles wat met de nieren te maken heeft.
  • NEONATOLOGIE: Hier worden te vroeg geboren of zieke kinderen die net geboren zijn opgenomen.
  • NEUROLOOG: Een neuroloog is een dokter die zich bezighoudt met kinderen die problemen hebben met spieren, zenuwen, het ruggenmerg of de hersenen.
  • NICU: Dit is de intensive care op de afdeling neonatologie.
  • NUCHTER: Dat betekent dat je helemaal niets mag eten en drinken voor een operatie en soms bij een onderzoek.

O

  • ONDERZOEK: Als de dokter zo niet kan zien wat er aan de hand is, gaat hij verder zoeken. Bijvoorbeeld met speciale foto's.
  • ONTSLAG: Als je weer naar huis mag noem je dat ontslag.
  • ONTSMETTEN: Wanneer je huid heel goed schoongemaakt moet worden doet men dat met een nat doekje met speciale vloeistof. Dit kan een beetje koud aanvoelen.
  • OOGHEELKUNDE: Hier kom je als je iets aan je ogen hebt, of voor een oogonderzoek.
  • OPNAME: Als je opgenomen wordt in het ziekenhuis betekent dat dat je in het ziekenhuis komt logeren.
  • ORTHOPEDIE: Bij deze dokters kom je wanneer je iets aan je botten hebt. Bijvoorbeeld wanneer je je been breekt.

P

  • PEDAGOGISCH MEDEWERKER: Een pedagogisch medewerker zorgt ervoor dat je ook leuke dingen kunt doen in het ziekenhuis. Soms komen ze bij jou aan bed spelen, maar als het kan, kun je ook naar de speelkamer komen. Wanneer je langer in het ziekenhuis ligt maken ze een dagprogramma voor jou, zodat je ook in het ziekenhuis van alles te doen hebt. Wanneer je een operatie of onderzoek krijgt vertellen zij jou wat er allemaal gaat gebeuren. Ook leren ze je om te gaan met moeilijke situaties bijvoorbeeld door ademhalingsoefeningen.
  • PEZEN: Bandjes waarmee je spieren aan je botten vastzitten.
  • PICU: Pediatrische Intensive Care Unit. Hier liggen kinderen die extra veel medische zorg nodig hebben en ook aan de monitor moeten liggen. Sommige kinderen hebben extra hulp nodig van apparaten zoals een beademingsapparaat (voor de longen) of een dialyse apparaat (voor de nieren).
  • POLIKLINIEK: Afdeling in het ziekenhuis waar je op controle gaat bij de dokter.
  • PSYCHIATER: Een psychiater is een dokter die kinderen helpt met ziektes in het hoofd.
  • PSYCHOLOOG: Een psycholoog is iemand waarmee je kunt praten wanneer je het ergens moeilijk mee hebt bijvoorbeeld wanneer je erg bang bent en niet goed weet hoe je hiermee om moet gaan.

Q

  • QUARANTAINE: Als een patiënt zieker kan worden van andere mensen krijgt hij of zij een aparte kamer. Soms ook als een patiënt andere kinderen ziek kan maken (besmetten).

R

  • RECOVERY (zie uitslaapkamer): Dit is de kamer waar je na een operatie wakker wordt en waar je vader en moeder bij je mogen zijn.
  • RIBBEN: Botjes in je borst. Samen met je ruggenwervels vormen ze je ribbenkast. Heb je ze wel eens geteld?
  • RODE BLOEDLICHAAMPJES: Je hebt rode en witte bloedlichaampjes. De rode bloedlichaampjes zorgen ervoor dat zuurstof verplaatst kan worden in je bloed.
  • RUGGENMERG: In de botten van je ruggenwervel zit een zachte massa die we ruggenmerg noemen. Door je ruggenmergkanaal lopen zenuwen die de spieren en dergelijke in je lichaam aansturen.

S

  • SPECIALIST: Een dokter die heel veel weet van een apart deel van je lichaam. Bijvoorbeeld de oogarts.
  • SPEELKAMER: De speelkamer is een gezellige kamer waar je kunt spelen, eten, mee kunt doen aan een activiteit, televisie kijken enzovoort.
  • STUWBAND: Dit is een elastieken band die je om je arm krijgt wanneer je bloed geprikt krijgt. Deze wordt stevig om je arm gedaan zodat je bloedvaten goed zichtbaar zijn en je makkelijker te prikken bent.
  • SLAGADERS: Slagaders zijn de grootste bloedvaten in je lichaam.
  • STERIEL: Steriel betekent helemaal schoon, zonder bacteriën.
  • STETHOSCOOP: Met een stethoscoop luistert de dokter naar je hart, je longen en je buik. Zo kan hij horen of je hart goed klopt, of je goed ademt en of je darmen in orde zijn.

T

  • TRACHEACANULE: Dit is een buisje waardoor je adem kunt halen als dit niet gewoon kan.

U

  • UITSLAAPKAMER (zie recovery): Lees hierover meer bij recovery.

V

  • VENAPUNCTIE: Dit is een ander woord voor een bloedprik.
  • VERPLEEGKUNDIGEN: Deze mensen verzorgen je als je opgenomen bent. Ze werken overdag, 's avonds en 's nachts. Het kan zijn dat je tijdens een ziekenhuisopname heel wat verschillende verpleegkundigen aan je bed krijgt.
  • VINGERPRIK: Wanneer er maar een beetje bloed nodig is voor het onderzoek, krijg je meestal een vingerprik.
  • VIRUSSEN: Ziekteverwekkers. Ze zorgen bijvoorbeeld voor griep of een verkoudheid.
  • VOEDINGSASSISTENT: De voedingsassistent komt elke dag bij je langs om samen met jou de lijst in te vullen voor het eten de volgende dag. In het ziekenhuis kun je namelijk kiezen uit een aantal maaltijden.

W

  • WITTE BLOEDLICHAAMPJES: In je lichaam heb je rode en witte bloedlichaampjes. De witte bloedlichaampjes zorgen voor de afweer en vernietiging van bijvoorbeeld bacteriën en virussen.

X

  • X-FOTO : Röntgenfoto

Z

  • ZIEKTEKIEMEN: Dit zijn hele kleine ziektemakers die je met het blote oog niet kunt zien, maar die je wel ziek kunnen maken.
  • ZINTUIGEN: Zintuigen zijn de hulpmiddelen van je lichaam, waarmee je je omgeving kunt verkennen. Je hebt vijf zintuigen: zien (zicht), ruiken (reuk), voelen (tast), horen (gehoor), en proeven (smaak).
Wat vindt u van deze pagina?